Geneesmiddelen

0
276

Een geneesmiddel (ook medicijn en medicament) is een chemische stof of complex van chemische stoffen met een beoogd farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect op het (dierlijk of menselijk) lichaam. De wetenschap van de geneesmiddelen heet farmacie. De wetenschap naar de effecten van geneesmiddelen in het menselijk lichaam (humane) farmacologie. Het voorschrijven van geneesmiddelen wordt ook wel farmacotherapie of geneesmiddelentherapie genoemd. Veel geneesmiddelen hebben een plantaardige, dierlijke of andere biologische oorsprong zoals respectievelijk de alkaloïden, bepaalde insulines of penicillinen, maar de meeste worden tegenwoordig synthetisch gemaakt. Vaak worden om praktische redenen grondstoffen van plantaardige of dierlijke oorsprong als uitgangsstof voor de synthese van geneesmiddelen gebruikt.

Volgens de definitie in de Nederlandse geneesmiddelenwet hoeft een geneesmiddel dus niet altijd te genezen, en omvat het bijvoorbeeld ook diagnosemiddelen en middelen die preventief (profylactisch) worden ingezet. Zo vallen de volgende middelen onder de definitie van geneesmiddel:

  • middelen met een therapeutische (genezende) werking – bijvoorbeeld een antibioticum;
  • middelen met een profylactische (preventieve) werking – bijvoorbeeld een antimalariamiddel;
  • middelen die dienen om een diagnose te stellen – bijvoorbeeld een oogdruppel die door de oogarts tijdens spreekuur wordt gebruikt;
  • middelen die dienen om fysiologische functies bij de mens te herstellen, verbeteren of wijzigen – bijvoorbeeld een middel dat gebruikt wordt bij suikerziekte, bij een te hoog cholesterol of tegen te hoge bloeddruk.

In de praktijk zijn er, in vergelijking tot de totale hoeveelheid beschikbare middelen, slechts een zeer beperkt aantal die een genezende werking hebben en verreweg het overgrote deel van de medicijnen hebben geen genezende werking, maar worden gebruikt om fysiologische functies te beïnvloeden.

Indelingen

Geneesmiddelen kunnen op veel manieren worden ingedeeld: gangbare methoden zijn bijvoorbeeld

  • naar therapeutisch doel, bijvoorbeeld preventieve middelen;
  • naar therapeutisch effect, bijvoorbeeld bloeddrukverlagende middelen;
  • naar orgaansystemen van het menselijk lichaam;
  • naar chemische structuur, bijvoorbeeld benzodiazepinen;
  • naar werkingsstrategie, bijvoorbeeld substitutie;
  • naar werkingswijze of werkingsmechanisme, bijvoorbeeld alkylerende agentia;
  • naar oorsprong, bijvoorbeeld digitalisglycosiden;
  • naar verstrekkingsregels, bijvoorbeeld Opiumwet-middelen;
  • naar toedieningsweg, bijvoorbeeld zetpillen;
  • naar verstrekkingsvorm, bijvoorbeeld capsules of tabletten;
  • naar werkingsduur, bijvoorbeeld langwerkende slaapmiddelen;
  • naar de manier waarop ze uit het lichaam worden verwijderd, bijvoorbeeld middelen met renale klaring.
    enz.

Een indeling die internationaal zeer veel wordt gebruikt is de ATC-classificatie. ATC staat voor Anatomisch Therapeutisch Chemisch. Deze classificatie wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie in Noorwegen toegekend. Een ATC-code voor een geneesmiddel bestaat uit 7 letters/cijfers, onderverdeeld in 5 niveaus. Het geneesmiddel Metformine (een middel bij diabetes) wordt bijvoorbeeld als volgt ingedeeld:

  • A – maag-darmkanaal en metabolisme (niveau 1: anatomische hoofdgroep)
  • A10 – geneesmiddelen gebruikt bij diabetes (niveau 2: therapeutische subgroep)
  • A10B – orale bloedglucoseverlagende geneesmiddelen (niveau 3: farmacologische subgroep)
  • A10BA – biguaniden (niveau 4: chemische subgroep)
  • A10BA02 – metformine (niveau 5: chemische stofnaam)